Tijdens mijn eerste opname in het ziekenhuis kreeg ik tot twee keer toe een psychose (ook wel delier). In deze blogpost vertel ik over de eerste psychose, in een volgend deel vertel ik over de tweede. Dit omdat beide totaal verschillend verliepen voor mij.

Let op: de situaties die ik beschrijf zijn zo door mij ervaren vanuit een psychotisch perspectief en kunnen dus soms anders door mij zijn ervaren dan hoe het in werkelijkheid was. Neem dat mee in gedachten tijdens het lezen.

Terwijl ik ga zitten in een kamertje met een tafel en een paar stoelen eromheen, lijkt het wel alsof ik klaarzit voor verhoor. Omdat de verlichting niet aanstaat, voelt de ruimte nog grijzer aan. Een afgeplakt raam laat wel licht in, maar geeft nog meer een afgesloten gevoel omdat je er niet doorheen naar buiten kunt kijken. Op de tafel staat een doosje tissues en ik denk op dat moment in mezelf: ik ga niet huilen. Met een vragende blik kijkt de psychiater mij aan en naast hem zit de verpleegkundig specialist mij streng aan te kijken. Iedereen lijkt wel boos, denk ik, want iedereen kijkt met diezelfde blik naar mij, met priemende ogen en een blik van twijfel. Waarom is iedereen boos en teleurgesteld in mij?

In mijn hoofd was het allemaal heel helder en duidelijk, maar zodra ik begin te praten kijkt iedereen mij vervreemdend aan. Ik probeer terug te halen wat ik net heb gezegd, maar dat lukt niet en ik vraag me af waar het misgaat. Ik doe een poging om uit te leggen hoe ik me voel, maar dit zorgt er alleen maar voor dat ze strenger gaan kijken. Ik begrijp dit niet, het is toch zo simpel, denk ik gefrustreerd. In mijn hoofd gaat alles omgekeerd dan het werkelijkheid eruit komt. Als iemand mij iets vraagt, probeer ik te zeggen wat ik denk, maar zodra ik antwoord krijg ik alleen maar vragende blikken terug. Maar ik geef toch gewoon antwoord? Mijn antwoorden kloppen niet met wat ik zeg, denk ik nog, maar waarom kan ik dan niet gewoon uitleggen wat ik bedoel? Ik loop na het gesprek met gebogen hoofd weer naar mijn bed. Ik wil niemand meer in de ogen kijken, maar toch voel ik de blikken op mij gericht. Wat is er toch met mij? Ik had al een aantal nachten niet goed geslapen en voelde mij onrustig. Het was erg druk in mijn hoofd en daarom stelden ze een dag eerder voor om wat medicatie in te nemen om wat rustiger te worden, maar dit had helaas niet echt geholpen.

Hoe schrijf je een logisch verhaal over een compleet chaotische situatie, niet alleen in mijn leven, maar vooral ook in mijn hoofd? Daarmee worstelde ik toen ik aan deze blogpost begon. Zelfs nu nog zijn er flarden van dingen in mijn hoofd waarvan ik niet zeker weet wanneer het nou gebeurde. Een situatie die ruim een week duurde, is in mijn hoofd gecomprimeerd tot enkele dagen. Er zijn flarden van dingen die ik meegemaakt heb, maar soms ook gedroomd heb of die ergens in mijn hoofd zijn ontstaan. Dit was ook nog eens de eerste periode waarin het niet goed ging. Hierna volgde nog een periode die zo mogelijk nog vervreemder was. Door berichten na te lezen die ik met mijn familie uitwisselde, kon ik een duidelijker beeld krijgen van die periode. Soms voelde ik bij bepaalde berichten de emotie en frustratie die ik toen ook voelde, waardoor ik toch redelijk een beeld kon maken van hoe het toen echt ging.

Aangekleed zit ik op de gele deken, met mijn benen opgetrokken en mijn armen eromheen geslagen. In mijn herinneringen aan de eerste psychose is het dit beeld wat vaak in mij opkomt als het begin van de psychose, maar in werkelijkheid was dit al de derde dag dat het psychisch niet zo goed ging. Ik lig op een zaal met nog drie andere mensen, maar door alle prikkels in mijn hoofd lijkt het wel alsof ik alleen ben. Slechts in de verte hoor ik de geluiden van de afdeling. Ik zit opgesloten in mezelf, een beeld dat ik tijdens een latere EMDR-sessie letterlijk voor mij zie vanuit de derde persoon. Kijkend vanaf bovenaf zie ik mezelf in een donkere ziekenhuiszaal, terwijl dit gewoon overdag zich afspeelde.

De wereld begrijpt mij niet meer, want al denk ik in mijn hoofd volledig helder te zijn, zodra ik begin te praten kijkt iedereen mij met een vragende blik aan. Terwijl ik praat met een zaalgenoot, met wie ik hiervoor supergoede gesprekken had, kijkt hij mij ook met diezelfde fronsende blik aan en zegt: ‘hmm, wat wil je nou precies zeggen, Eddy?’. Ik kijk hem vertwijfeld aan, begin te hakkelen en probeer ondertussen in mijn hoofd grip te krijgen op het gesprek. Ik besluit hem iets te vragen wat ik al weet, misschien gaat het dan beter. Maar dit leidt juist tot meer verwarring, want ik krijg te horen dat hij mij dat al eerder verteld had. Dom natuurlijk, nu lijk ik nog vreemder over te komen. Zodra het kon, ging ik weer terug op bed zitten, trok mijn benen op en sloeg mijn armen eromheen. Ik wist het niet meer en voelde me somber en eenzaam.

De verpleegkundige van de dag komt met de computer de zaal in lopen voor de controles. Ze kijkt mij streng aan en zegt: ‘Als je niks zegt, Eddy, kunnen we je ook niet helpen!’. Ik voel de druk in mijn ogen van tranen die opkomen en ik wil antwoorden, maar ik kan niks uitbrengen, want wat ik wil zeggen komt er niet zo uit als ik had bedoeld. Iedereen is boos, zelfs deze verpleegkundige die normaal altijd zo aardig is. Moedeloos en boos draai ik mij op mijn zij. Waarom snapt niemand mij en waarom wil niemand mij helpen?

De dag ervoor had ik het gesprek gehad met een psychiater en een verpleegkundig specialist. Ik was tijdens dat gesprek enorm gefrustreerd, want ze snapten er niks van. De vragen die ze stelden vond ik maar raar. Nee, riep ik, nee ik denk helemaal niet aan zelfmoord. Ik schrok van deze vraag en ik begreep er totaal niks van dat ze die vraag stelden. Ook al was het wat druk in mijn hoofd, ik was toch niet gek? Ik probeerde heel nauwkeurig uit te leggen wat er in mijn hoofd gebeurde, maar ze bleven mij maar vervreemdend aankijken. Was ik misschien depressief of had ik waanbeelden? De vragen bleven maar komen en ik werd steeds gefrustreerder, die mensen snapten er echt helemaal niks van. Ja, als ik mijn ogen sloot ’s nachts zag ik wel schimmen met witte jassen die over mij heen hingen. Ze hadden geen gezichten en toch keken ze mij allemaal dwingend en vragend aan. Elke keer voelde ik een beklemmende druk. Het gesprek veranderde niet veel en de psychiater had niet echt een verklaring waarom ik mij zo voelde. Verward ging ik weer terug naar de zaal.

Die avond probeerden ze mij, voor mijn gevoel, nog aan het praten te krijgen door een verpleegkundige in opleiding, die zijn verslag maakte over mij, met mij te laten zitten om te praten over mijn achtergrond zodat hij dat kon verwerken in zijn verslag. Ik zei keurig ja, ik kon prima met hem opschieten en hij was altijd aardig, dus liep ik hem achterna. Toen ik eenmaal met hem alleen in een hokje zat en hij met zijn vragen begon, raakte ik weer volledig in de war en kwam het allemaal veel te dichtbij. Ik probeerde aan hem uit te leggen dat ik liever toch geen vragen wilde beantwoorden. Ik merkte de frustratie bij hem en ook hij keek mij met boze en teleurgestelde ogen aan. Hij legde zijn pen neer en keek mij aan: ‘Vertel dan, Eddy, wat is er aan de hand?’. Ik kwam niet uit mijn woorden en de verpleegkundige leek het beter het gesprek te beëindigen.

Verward en gefrustreerd liep ik terug naar mijn bed. Even later kwam de verpleegkundige naar mij toe. Ik kon kiezen, zei hij streng: of je krijgt nu medicatie waar je wat rustiger van gaat worden, of je krijgt medicatie waardoor je straks kan slapen. Ik koos direct voor dat laatste, want ik wilde zo graag slapen. Ik zei de visite die die avond zou komen af. Ook dat gesprek was weer totaal verwarrend verlopen en ik nam mij nu voor om er zo normaal mogelijke avond van te maken. Op tv zou een film te zien zijn en ik besloot die te gaan kijken. Met alles wat ik aan wilskracht bezat dwong ik alle demonen uit mijn hoofd en keek geanimeerd naar de film die ik al kende. Een zorgassistent bracht mij wat te drinken en wat lekkers. Even was alles weer normaal, een gezellig filmavondje, even geen gezeur en straks zou ik slapen. Ik keek ernaar uit.

Met heel veel moeite keek ik de film uit. Ik was mij er superbewust van dat ik deed alsof ik ervan genoot. Wat een heerlijk normaal avondje was het toch, dacht ik steeds, maar ik moest enorm mijn best doen om me te concentreren. Toen de film was afgelopen kreeg ik de medicatie. Deze zou over ongeveer veertig minuten gaan werken en dus maakte ik me rustig klaar voor de nacht. Uiteindelijk kroop ik in bed en deed mijn oordopjes in, nog even muziek luisteren en dan zou ik slapen. Precies veertig minuten later deed ik mijn oordopjes uit, legde de telefoon weg, deed het licht uit en legde mijn hoofd op het kussen.

In het donker lag ik te wachten tot ik in slaap zou vallen. Ik hoorde elk geluidje om mij heen; een pomp van een infuus die rustig de vloeistof mijn lichaam in bracht, het zachtjes ademen van mijn kamergenoten en ergens klonk een alarmpje van een pomp. Weer ergens ging er een deur open en dicht en klonken er zachtjes stemmen op de gang. Ik was klaarwakker. Onrustig drukte ik mijn hoofd dieper in het kussen en hoopte dat alles in één keer zou wegvloeien en de slaap zou inzetten, maar dit gebeurde niet.

Langzaam drong het tot mij door: ze hadden tegen mij gelogen. Ik zou helemaal niet zomaar in slaap vallen, dit hadden ze gewoon gezegd om van mijn gezeur af te zijn. Maar wat hadden ze mij dan gegeven? Ik probeerde me te bedenken wat er dan in die pil had gezeten. Nee, ik moest niet gaan denken dat ze mij iets wilden aandoen, dacht ik nog. Waarom zouden ze dat willen? Langzaam kropen de gedachten mijn hoofd in. Ik zou hier nooit meer wegkomen, niemand begreep mij, iedereen loog. Ik voelde mij ontzettend verdrietig en eenzaam worden en mijn gedachten dwaalden af. Ergens in de nacht viel ik toch in slaap, maar het echode sterk in mijn hoofd dat niemand mij ging helpen, wat ik ook zei.

Hoe ik die dag precies wakker werd en wat ik daarna deed, daar heb ik eigenlijk geen herinneringen aan. Uiteindelijk trok ik me terug op mijn bed, opgesloten in mezelf.

Gefrustreerd besloot ik uiteindelijk een poging te doen om alles helder op papier te zetten en dit naar mijn familie te sturen, in de hoop dat er dan iets zou gebeuren. Ik zat maar op bed en niemand greep in, dacht ik. Zo duidelijk als ik kon schreef ik op een aantal vellen hoe ik me voelde en dat ik hoopte dat er iets zou gebeuren. Niemand deed iets, en er moest nu wel iets gebeuren. Zonder echt na te denken stuurde ik foto’s van deze briefjes door naar mijn familie en ging opgelucht weer liggen. Eindelijk zou er iets gebeuren, dacht ik nog. Ik ging op de deken liggen en wachtte tot iemand mij zou appen, maar het bleef stil.

Er gebeurde niets: er kwam geen verpleegkundige om te vragen wat er aan de hand was, en mijn familie reageerde ook niet. Ik voelde me leeg en verloren, en lag gespannen te wachten op wat er zou gebeuren.

Plots begon mijn telefoon te trillen. Om zoveel mogelijk prikkels te vermijden had ik alle meldingen uitgezet. Terwijl mijn familie allerlei appjes stuurde als reactie op mijn bericht, merkte ik daar dus niks van. Totdat een van mijn broers besloot te bellen. Van dit gesprek herinner ik me maar flarden, vooral dat mijn broer heel lief alles aanhoorde wat ik zei en rustig op me inpraatte. Dat het echt wel goed zou komen en dat er echt iets zou gaan gebeuren.

Even later kwam er een verpleegkundige binnen om te vragen wat er aan de hand was. Ik kon er niets meer over zeggen, dus ging ze weer weg. Ik was blij, want ik zag duidelijk dat er wat stress was over de situatie. Dus nu moest er wel iets gebeuren.

Een verpleegkundige kwam later melden dat ik die nacht even alleen zou slapen en even later rolde mijn bed een ruimte in waar ik mijn eerste nacht ook had doorgebracht. Terwijl de telefoon op speaker naast me lag, praatte mijn broer rustig op me in en deed ik mijn ogen dicht. De verpleegkundige nam mijn telefoon over en ik hoorde haar met mijn broer praten. Hij klonk ineens heel anders: gestrest en bezorgd. Ik voelde me schuldig, maar toch was ik blij. Eindelijk zagen ze me, eindelijk hadden ze door dat er wat met me aan de hand was. Ik viel in een diepe slaap.

Terwijl ik sliep, arriveerden meerdere familieleden in het ziekenhuis. Door de combinatie van uitputting en medicatie was ik ver weg en heb ik niets meegekregen. De broer die me had gebeld, mocht bij uitzondering komen. Maar dit had ik dus compleet gemist. In een gesprek dat ze hadden met een arts, werd duidelijk dat ik mogelijk een psychose had. Ze stopten tijdelijk met een aantal medicijnen, waaronder prednison, die dit konden opwekken.

In de dagen erna kwam ik langzaam weer tot rust, al heb ik niet heel veel herinneringen aan hoe dat precies ging tijdens die periode. Ik kwam er wel achter dat ze al een paar dagen druk bezig waren omdat er iets met me aan de hand was. In de appberichten aan mijn familie lees ik ook dat dit met me besproken was, maar dit had ik totaal verdrongen. Ik leefde in de overtuiging dat iedereen maar deed alsof er niets aan de hand was. Dit terwijl ik eerder zelf had ingestemd met medicatie die me rustig zou maken en zelfs een gesprek had gehad met een psychiater.

In de dagen na de psychose knapte ik langzaam weer op. Ze besloten de behandelingen voort te zetten en herstartten de medicatie, ook de prednison. Dit zou uiteindelijk een week later opnieuw leiden tot een nieuwe psychose.

In een toekomstige blogpost schrijf ik over de tweede psychose. Heb je vragen of zelf ervaring met dit onderwerp? Laat het dan weten in de reacties!


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.